“The best years of your life are the ones in which you decide your problems are your own.

You do not blame them on your mother, the ecology, or the president.

You realize that you control your own destiny.”

Albert Ellis

Voor sommige mensen is een existentiële crisis een identiteitscrisis: een niet meer weten wat je wilt in het leven, losgerukt zijn van je eerdere zekerheden (werk, relatie, de verbinding van sociale identiteit met je zelfbeeld) en in een leeg gat vallen qua levensrichting en hoop. Voor anderen is een existentiële crisis een directe zingevingscrisis door het verlies aan hoop voor de toekomst, dat niets dat men ervaart zin lijkt te hebben en dat men ook geen zingeving ervaart bij de vooropgestelde invullingen die de maatschappij ons voorhoudt, zoals gezin, nuttig werk, geld op de bankrekening, materiële zaken, een creatieve outlet e.d.

Met name een existentiële crisis als zingevingscrisis kan van diepe invloed zijn op de gemoedstoestand van het individu, gevoed door een ‘bestaans-nihilisme’ dat doorspekt is van zinloosheid: men vindt nergens “zin” meer in, de wereld wordt ervaren als betekenisloos, doelloos, zonder God en spiritueel vaderland. Niets wat houvast zou kunnen geven, doet dat meer. Ondanks dat existentiële crises regelmatig voorkomen, wordt er in de meeste literatuur maar weinig aandacht geschonken aan existentiële crises als zingevingscrises.

Een crisis ontstaat meestal wanneer de vertrouwde omgeving verandert en mensen plotseling uit hun comfortzone worden gerukt. Wanneer het normale functioneren door plotselinge externe omstandigheden wordt verstoord kan depressie daarvan het gevolg zijn. Bij een plotselinge, traumatische verandering verdwijnt niet zelden de aanname dat de wereld veilig, zinvol en rechtvaardig is (Janoff-Bulman, 1989), met als gevolg dat men langzaam wegglijdt in een gevoel van doelloosheid en wanhoop.

De eerste neiging is om deze depressie weg te drukken door hyperactiviteit en vermijdingsgedrag. Maar het knagende gevoel blijft. Misschien kunnen deze gevoelens van verloren-zijn als een alarmbel worden gezien, dat er een innerlijke verschuiving nodig is naar een andere manier van kijken-naar-de-wereld, naar een niet langer zoeken naar betekenis en zingeving buiten het zelf, maar dat men probeert, in navolging van Nietzsche, om zelf waarden te scheppen die het leven zinvol maken.

Kan dat? Is dat nuttig? Wat doe je als je het gevoel hebt dat het bestaan sowieso leeg is, intrinsiek leeg? Waar vind je dan de moed om voor op te staan? Wat als, zoals Janoff-Bulman aangeeft, de wereld “uit elkaar” valt na een traumatische gebeurtenis en al onze vooroordelen over een veilige, goede en betrouwbare wereld illusies blijken te zijn? [i] Wanneer we desillusie ervaren in ons leven, kan men het gevoel hebben rond te zwerven zonder houvast. Soms is het nodig een nieuw levensscript te ontwikkelen, een ander narratief, een hernieuwde wijze van kijken naar het zelf en de ander.

James Webb, auteur van het boek “Searching for Meaning: Idealism, Bright Minds, Disillusionment and Hope” (2013), biedt zijn lezers vijf mogelijkheden om met existentiële crises om te gaan: (1) het scheppen van een nieuw “life-script” waarbij men bewust een nieuw pad kiest voor het eigen leven, (2) gaan voor doelen en idealen, zoals vrijwilligerswerk, die het leven zin geven, (3) schrijven en bibliotherapie, waarbij men veel leest van inspirerende denkers en doeners om existentiële eenzaamheid verdraaglijk te maken, (4) de humor bewaren, waarbij men poogt in te zien dat we allen deel uitmaken van een Griekse tragedie -en dat wanneer je een tragedie ver genoeg doortrekt, het vanzelf een komedie wordt-, (5) zoeken naar verbinding met anderen, specifiek door lichamelijke aanraking, (6) het vormen van authentieke relaties, (7) compartimentering van zorgen en angsten, door deze enkel op een bepaald moment van de dag ruimte te geven, (8) loslaten van controle van anderen en de toekomst, (9) in het heden leven, (10) optimisme en doorzettingsvermogen aanleren, (11) zich richten op de continuïteit van generaties voor en na ons, (12) mentorschap uitvoeren of doceren, en, als laatste (13) “rippling”, inzien dat we allen invloed hebben gehad op onze leefwereld, hoe minimaal ook,  zoals de druppel op stil water tot golven leidt.

Is de ene coping stijl beter dan de andere? Neen. De auteur biedt enkel suggesties, maar wanneer iemand lijdt aan een existentiële depressie zullen enkele van bovenstaande adviezen waarschijnlijk de behoefte aan zin gedeeltelijk kunnen vervullen. “Het verschil maken” ligt niet zozeer in wat men doet, maar in hoe: het ligt in de intermenselijke relatie, in de kwaliteit van communicatie en werkelijk ontmoeten.

Existentiepsycholoog Rollo May leerde ooit een wijze student dat de opmerking “ooit ben ik er niet meer” niet helemaal juist is, maar dat het uiteindelijk gaat om “wat je het beste kunt doen tussen geboorte en dood.” (Webb, p. 160) Dit is een vraag die ons allen rest.
 

Door Marleen Moors

Marleen Moors is existentiefilosoof, publicist en filosofisch consulent.

 

Literatuur

Janoff-Bulman, Ronnie. (1989). “Assumptive Worlds and the Stress of Traumatic Events: Applications of the Schema Construct.”  Social Cognition. 7 (2): 117.

Webb, James (2013) Searching for Meaning: Idealism, Bright Minds, Disillusionment and Hope. Tucson: Great Potential Press.

[i] Volgens Janoff-Bulman gaan we er allen intrinsiek vanuit dat de wereld goed en zinvol is, dat mensen goed zijn, dat de wereld voorspelbaar is en dat men persoonlijk waardevol is en onkwetsbaar is voor kwaad, pijn en lijden, totdat het tegendeel bewezen wordt.